Bestel hier het boek 'De Cranberry'

Nog niet zo lang geleden was de cranberry alleen op het Waddeneiland Terschelling een bekende plant. Daar bestond zelfs een oude legende die verklaarde hoe deze bes op het eiland terecht was gekomen. Ondertussen is de cranberry op het naastgelegen Vlieland ook populair geworden.

Deze dagen staat de cranberry bekend als superfruit, een bes vol gezonde vitamines, mineralen en antioxidanten. Is de term superfruit een correcte weergave van de werkelijkheid of is hij verzonnen door snelle reclametypes met onvoldoende opleiding? Uiteraard willen we graag geloven dat cranberry's gezond zijn, maar er zijn veel meer fruitsoorten die dergelijke gezondheidsclaims kunnen waarmaken. Volgens de laatste inzichten blijken cranberry's zelfs nog meer kwaliteiten te bezitten dan de term superfruit doet vermoeden.
Dit boek volgt de reis van de cranberry door de geschiedenis en de wetenschap. In dit boek wordt een poging gedaan om waarheid en werkelijkheid te scheiden van de vele mythes en legenden rond de cranberry.


Wilt u het boek 'De Cranberry' bestellen? Zie de bestelmogelijkheden aan de rechterzijde van deze pagina.

Interview met mij over 'De Cranberry'

In het novembernummer van Roots is een uitgebreid interview met mij opgenomen. Drie pagina's lang een gesprek over cranberry's, het boek 'De Cranberry' en voorzien van prachtige foto's.
Koop het boek 'De Cranberry' en ontdek alles over cranberry's.

De groei en bloei van de cranberry

[Voorproefje]

De cranberry is een laaggroeiende, struikachtige, bodembedekkende, meerjarige en altijd groene plant, die van nature groeit in wat moerasachtige gebieden met een zure grond. De cranberryplant kan in sommige omstandigheden een hoogte van twintig centimeter bereiken, maar zal gewoonlijk bij vijf centimeter zijn maximale hoogte hebben bereikt. Het wortelstelsel van de cranberryplant is oppervlakkig en samengesteld uit hele fijne, vezelige worteltjes, die zich in de bovenste tien centimeter van de bodem zullen ontwikkelen.

Afhankelijk van de weersomstandigheden en de ondergrond lopen de knoppen van de cranberryplant gewoonlijk in de eerste helft van april uit. Dan vindt ook de eerste vegetatieve groei plaats, waaronder het ontstaan van nieuwe bladeren. In de loop van mei groeien de knoppen verder uit en eind mei of begin juni zijn al duidelijk de nieuwe bladeren en nieuwe bloemknoppen zichtbaar. De bloei van de cranberry start zo'n beetje vanaf begin juni en duurt drie tot zes weken. Tegen het einde van de maand juni zijn alle bloemen opengegaan. De cranberry is zelfbestuivend en daarom is de tussenkomst van bijen niet nodig. Hierna wordt het vruchtbeginsel aangelegd. Vanaf dit moment overlapt de levenscyclus de nieuwe cyclus van het volgende jaar. Onder invloed van de lange dagen met veel daglicht gedurende de zomermaanden, worden de nieuwe bloemknoppen alvast voor het volgend jaar geïnitieerd aan het eind van sommige takjes. Als deze takjes het ene jaar bloemen en bessen hebben gedragen, zijn ze het volgende jaar vaak vegetatief.

Direct na de bloei ontstaan kleine, groene bessen. Gedurende de eerste drie, vier weken van de vruchtontwikkeling slaat de bes het grootste deel van de mineralen uit de bodem op. Vanaf dat moment tot aan de oogst groeien de bessen als gevolg van de opname van koolhydraten (suikers en zetmeel via fotosynthese) en water. Pas in september beginnen de vruchten hun karakteristieke paars-rode kleur te ontwikkelen als gevolg van het produceren van het natuurlijke rode pigment anthocyaan.

De plant vormt twee typen stengels: de runners (uitlopers over de grond) en de uprights vanuit de bladoksels van de runners. De runners zullen bij een lichte overstuiving met zand al snel wortelen. Bij de juiste omstandigheden ontstaan op die manier dikke plakkaten met cranberryplanten waar andere gewassen weinig levensruimte geboden wordt.

De cranberries in het vroegere Amerika

[Voorproefje]

Cranberries groeiden, zoals gezegd, in uitgebreide moerasgebieden in de huidige Verenigde Staten en Canada. In die gebieden woonden diverse Indianenstammen en dat de cranberry voor de meeste van die stammen belangrijk zijn geweest wordt duidelijk door de grote verscheidenheid aan namen die voor de cranberry zijn overgeleverd. De Indiaanse stammen, die in het noordoosten van Amerika woonden behoorden ooit tot de Proto-Algonquincultuur. Binnen deze cultuur zijn verschillende talen en dialecten ontstaan. De Wampanoag, een stam die leefde in de oostelijke delen van het huidige Massachusetts, noemden de bes sassamenesh en dat betekende 'zure bes'. De Pequot van Cape Cod en de verwante Leni-Lenape stammen, die allemaal een uitgestrekt gebied bewoonden dat de huidige staten New Jersey, Daleware, zuidoostelijk New York en oostelijk Pennsylvania omvatte, noemden de cranberry ibimi, wat 'bittere bes' of 'bitter fruit' betekende. De Algonquians van Wisconsin gebruikten het woord atoqua om de cranberry te benoemen. Bij de Chippewa-stammen heette hij anibimin en bij de Narragansett's weer saytaash. De Indianen, die het gebied bewoonden nabij de rivier de Columbia noemden diezelfde cranberry weer soolabich.

De kleine veenbes

[Voorproefje]

Het is een beetje vreemd dat de Amerikaanse kolonisten niet de heilzame effecten van de cranberries meer waardeerden omdat het kleine broertje van de cranberry in vrijwel geheel noordwest-Europa groeide en nog steeds groeit. Dat is de kleine veenbes (Oxycoccus palustris). In Nederland is zij tegenwoordig vrij zeldzaam, maar in Drenthe en noordwest-Overijssel kan de kleine veenbes nog redelijk veel worden aangetroffen. De kleine veenbes is bij uitstek een bewoner van veenmosvegetaties en houdt, net als de cranberry ofwel grote veenbes, van zure en voedselarme milieus.

Het niet bewezen verhaal gaat dat de Romeinen meenden dat de kleine veenbes door hun Germaanse en Keltische tegenstanders in heidense rituelen werd gebruikt. Die Romeinen geloofden dat de kleine veenbessen hun vijanden in staat zou stellen om in het donker te kunnen zien. Rare jongens, die Romeinen.

Voor de rest is het historisch gezien duister voor wat betreft het medisch gebruik van het Europese broertje van de cranberry. Natuurlijk werd de kleine veenbes in heel noordelijk Europa, van Engeland tot Siberië, toegepast als vulling in taarten en als smaakmaker in alcoholische dranken. Wel zijn er aanwijzingen dat enkele nomadische stammen in Siberië de kleine veenbes op vrijwel dezelfde manier gebruikten als de Indianen met hun pemmican. De heilzame effecten van de kleine veenbes komen pas weer boven water als de cranberry in Europa wordt geïntroduceerd.

Het vreemde van de geschiedenis is wel dat lepeltjesheide een andere naam is voor cranberry en dat die naam wel erg lijkt op lepelblad. Zouden beide namen gedurende de geschiedenis af en toe met elkaar verward kunnen zijn?

Lepelblad

[Voorproefje]

Echt lepelblad (Cochlearia officinalis) dankt zijn faam aan zijn hoge gehalte aan vitamine C. Het was bij uitstek een geneeskrachtige plant, die in de Middeleeuwen toegepast werd tegen de gevolgen van scheurbuik en dus van een chronisch gebrek aan vitamine C. Al in de 15de eeuw kende men de genezende kracht van lepelblad en citrusvruchten. Die laatste categorie bleek voor de gemiddelde Nederlander in die tijd onbetaalbaar en dus onbereikbaar en dus moesten veel gezinnen het doen met lepelblad als het normale fruit opgeraakt of verrot was. Het moet in de Middeleeuwen vooral in de steden een treurige tijd geweest zijn omdat vers fruit daar vrijwel niet te krijgen was. Hoeveel mensen hun levenlang last hebben gehad van chronisch vitamine C gebrek is niet meer te schatten. Het lepelblad groeide ooit in uitgebreide velden in Zuid-Holland en Zeeland. Het was voor velen de enige bron van vitamine C.

In 1554 verscheen het door de Vlaming Rembert Dodoens, beter bekend onder zijn gelatiniseerde naam Rembertus Dodonaeus (1517-1585) geschreven boek Cruydeboek en daarin werd vermeld dat “lepelcruyt in water ghesoden es seer goet tseghen die vuyle sweeringhen, gheladenheyt ende slijmicheyt des monts ende tseghen dat scoorbuyck, als die mont daer mede dicwils ghespoelt wordt”.

Lepelblad of 'salaet', zoals men het plantje in de 17de eeuw noemde, werd ook door overwinteraars op Spitsbergen geplukt. De oogst werd uitgespreid op de vloer en deze liet men bevriezen. Deze 'diepvriesgroente' voorzag de mannen onder leiding van Jacob Segersz van der Brugge in de winter van 1633/1634 van genoeg vitamine C om veilig en ongeschonden de lange poolnacht door te komen. Ook was het van levensbelang voor de Oost-Indiëvaarders, want ook op hun lange reizen werd een grote aanslag op het lichaam gepleegd door het eten van bedorven en dus vitamineloos voedsel. Rond 1652 werden hele velden met lepelblad aangelegd bij Kaap de Goede Hoop om dat probleem aan te pakken.